Of het nu in de bergen is of lekker voor een grote duin of gewoon in het vlakke Nederland, vliegen kan overal. Alleen de manier waarop verschilt.

De kunst is, in de lucht te blijven door gebruik te maken van de luchtstromingen die er zijn. Globaal gaat het dan om thermiek en laminair winden. Thermiek ontstaat door verschillen in opwarming van de aarde. Hierdoor kunnen luchtkolommen van warme lucht onstaat die naar boven stijgen. In deze stijgende lucht kan de paraglider rondjes draaien en op die manier hoogte winnen.

Zowel in de bergen als in ons vlakke landje onstaat termiek. Het grote verschil is dat je in de bergen op vanaf een berghelling kan starten om vervolgens de thermiek op te gaan zoeken, terwijl je in vlakke gebieden eerst moet worden "opgelierd". Tijdens de oplieren wordt je aan een lange lijn voortgetrokken. Hierbij kan je hoogte winnen, tot wel 500 meter. Als je je vervolgens los maakt van de lijn, kan je ook op zoek gaan naar thermiek om vervolgens de landing zo lang mogelijk uit te stellen. Hoe beter je gebruik maakt van de thermiek hoe hoger je kunt komen en des te langer je in de lucht kan blijven.

Een andere manier van paragliden is "soaren". Hierbij wordt gebruik gemaakt van de wind die tegen een heuvel of duin blaast. Wanneer deze wind constant is, onstaat ervoor de heuvel of duin een band van wind die schuin omhoog gaat, om zo over het obstakel heen te gaan. In deze band van wind kan je dan "eindeloos" heen en weer blijven vliegen.